A t/m F
| Aanpassingslaag |
| Een aparte laag in de afbeelding waarop kleurbewerkingseffecten kunnen worden toegepast. De kleurcorrectiegegevens in deze laag wijzigen de lagen van de oorspronkelijke afbeelding niet, tenzij de laag met de andere lagen wordt samengevoegd. Alleen de lagen die onder de aanpassinglaag staan, krijgen de gemaakte bewerking mee. U kunt zoveel aanpassingslagen maken als u wilt. |
| Achtergrondlaag |
| De eigenlijke afbeelding is de achtergrondlaag van de afbeelding. Op deze achtergrondlaag kunt u andere lagen plaatsen die met de achtergrondlaag worden gemengd. |
| Afbeeldingsresolutie |
| Aantal pixels per lengte-eenheid van een afbeelding; wordt gewoonlijk uitgedrukt in pixels per inch (ppi). Een afbeelding is opgebouwd uit kleine blokjes, pixels genoemd. Een afbeelding met kleinere pixels bevat meer pixels en heeft daardoor een hogere resolutie, meer detail en een grotere bestandsomvang dan een afbeelding met grotere pixels. |
| Alfakanaal |
| Een extra laag, een grijswaardekanaal, die selecties en maskers opslaat en die vervolgens weer in een afbeelding kan worden gebruikt. Lichte beeldbewerkingspakketten ondersteunen vaak geen alfakanalen. |
| Anti-aliasing |
| Anti-aliasing ontkartelt pixelranden van een afbeelding of een selectie, waardoor kleurovergangen tussen de rand en de achtergrond vloeiend worden gemaakt. Dit is vooral nuttig bij het combineren van afbeeldingen en bij teksten. |
| Batchomzetting |
| Een geautomatiseerd proces om eenzelfde handeling in één keer op meerdere foto's uit te voeren, bijvoorbeeld voor conversie van bestanden of het wijzigen van de bestandsgrootte. |
| Bestandsformaat |
| De gegevens van een foto die u opslaat, worden in een bepaalde (geselecteerde) indeling (bestandsformaat) opgeslagen. Hiermee wordt de foto voor de computer een verzameling gegevens, die aangeeft hoe de gegevens in het bestand worden geordend en hoe ze bij het openen moeten worden weergegeven. |
| Bit (binary digit) |
De kleinste eenheid van informatie in een computer: een 1 of een 0. Een bit kan twee toestanden aannemen (uit of aan). Bitdiepte (kleurdiepte) De maat van de pixels in bits of een andere eenheid, zoals bytes. De bitdiepte bepaalt het aantal kleuren die een pixelwaarde kan weergeven. Een 1-bitspixel kan een of twee kleuren bevatten, een 4-bitspixel 1 of 16 enzovoort. Is hetzelfde als kleurdiepte. |
| Bitmap |
| Een verzameling pixels. Wordt doorgaans gebruikt als kortere term voor bitmapafbeelding. |
| Bitmapafbeelding |
| Een afbeelding die is opgebouwd uit een reeks pixels (puntjes) die in rijen en kolommen zijn ingedeeld (raster). Elke pixel heeft zijn eigen kleurwaarde en positie en wordt bepaald door een bepaalde hoeveelheid bits. Afbeeldingen van een digitale camera zijn doorgaans bitmapafbeeldingen. |
| BPS (bits per seconde) |
| De eenheidsmaat voor de datatransmissiesnelheid. Modemsnelheden worden bijvoorbeeld in bps uitgedrukt. Een 56K modem geeft maximaal 56.000 bits per seconde door. |
| Brandpuntsafstand |
| De afstand tussen het object en de cameralens. Een standaardlens heeft een brandspuntsafstand van ongeveer 50 mm. Dat is vergelijkbaar met wat het menselijk oog waarneemt. Een grotere brandpuntsafstand (bijvoorbeeld 135 mm) zoomt in en vergroot daarmee het onderwerp, terwijl een macrolens (ongeveer 30 mm) wordt gebruikt om van heel dichtbij (close-up) scherp te kunnen fotograferen. Digitale camera's hebben een veel kleinere brandpuntsafstand, omdat ze anders werken. Toch wordt in de beschrijving van een camera steevast de brandpuntsafstand van de traditionele fotografie gehanteerd. Een 7 mm-lens komt ongeveer overeen met een standaardlens van 50 mm. |
| Byte |
| Een byte is 8 bits groot. |
| Blur |
| To blur is vervagen; blurred is vervaagd. Met het gereedschap Vervagen kunt u afzonderlijke pixelkleuren in elkaar laten overlopen door harde lijnen te vervagen. |
| CCITT encoding |
| International Telegraph and Telephone Consultive Committee (CCITT) is een standaardenorganisatie die communicatieprotocollen (CCITT T.4 en T.6 ) ontwikkelt voor transmissie van zwartwitbeelden over fax- en telefoonlijnen en datanetwerken. In de praktijk word de compressiealgoritme CCITT Group 3 het meest gebruikt. Deze is speciaal voor 1-bitsafbeeldingen ontworpen voor transmissie via datanetwerken. Is voor fotocompressie minder geschikt. |
| CMYK |
| Subtractieve kleurmethode op basis van de secundaire RGB-kleuren Cyaan, Magenta en Yellow. Wordt gebruikt bij printers. Omdat zuiver zwart door inktonzuiverheden niet volledig haalbaar is, wordt aan CMY de kleur zwart toegevoegd. De K in de afkorting staat voor Key, dat symbool staat voor de sleutelinformatie die zwart geeft aan de juiste tekening van het beeldmateriaal. De andere kleuren bevatten alleen informatie over kleur. Meestal worden de kleuren uit dit model uitgedrukt in percentages van 0 tot 100, waarbij hogere kleurpercentages donkerder kleuren opleveren. |
| Contrast |
| De mate van (on)gelijkheid tussen de kleuren van aangrenzende pixels. Hoe meer kleurverschil tussen de pixels, hoe meer contrast. Hoe meer contrast een afbeelding bevat, des te helderder, energieker en scherper deze lijkt. Maar te veel contrast aanbrengen in een afbeelding doet details verdwijnen en felle opdringerigere kleurvakken ontstaan. Het beste contrast ontstaat in kleurverschillen van kleuren die in de kleurencirkel tegen over elkaar liggen. In de zwartwitfotografie duidt contrast op het verschil in lichte en donkere waarden in een afbeelding. |
| CompactFlash-card |
| Geheugenkaartje voor gebruik in bepaalde digitale camera's. |
| Comprimeren |
| Het kleiner maken van het bestandsformaat. Dit gaat vaak gepaard met verlies aan kwaliteit, doordat per pixel de hoeveelheid informatie kleiner wordt. De verkleining vindt vooral plaats in de resolutiewaarde. |
| Dekking |
| Mate van dichtheid van een kleur of een laag. Hoe lager de dekking van een aangebrachte kleur of laag, hoe transparanter de kleur of laag is en hoe meer de achtergrond door de aangebrachte kleur of laag zichtbaar is. |
| Dithering |
| Een techniek waarmee kleuren die niet voorkomen op het palet van een afbeeldingsbestand worden gesimuleerd. De ontbrekende kleuren worden gesimuleerd door pixels van twee of meer kleuren op het palet te mengen. Wijkt een ontbrekende kleur te veel af van de kleuren in het palet van de afbeelding, dan resulteert dithering in een korrelig of gespikkeld effect. |
| Doezelen |
| Doezelen zorgt ervoor dat de pixels aangrenzend aan de selectielijn in elkaar overlopen. Kan worden gebruikt bij het maken van selecties. |
| DPI |
| De eenheid dots per inch voor de printerresolutie. Onder dots worden de spatten inkt verstaan die de printer op het (foto)papier spuit. Hoe meer dots per inch op het papier worden gedrukt, hoe scherper de afdruk. Een inch is 2,54 centimeter. |
| EXIF |
| Open standaard voor de bestandsindeling van afbeeldingen die is gedefinieerd door en die onder controle staat van JEITA (Japan Electronics and Information Technology Industries Association). |
| EXIF data |
| Bestandsindeling die informatie opslaat over de omstandigheden waaronder een opname is gemaakt, zoals type camera, resolutie, pixelafmetingen, opnamedatum en tijd, sluitertijd, diafragma en gebruik van flitser. |
| Filter |
| Een soort vel dat op een foto kan worden gelegd, maar dat niet als laag wordt opgeslagen, om een effect te bereiken. Filters worden daarom ook wel effectfilters genoemd. |
| Fractal Image Compression |
| Fractal-compressie is ontworpen om bitmapbestanden met fotorealistische afbeeldingen (en andere afbeeldingen) te comprimeren. Deze techniek gaat ervan uit dat alle objecten in een afbeelding dubbele informatie bevatten in de vorm van gelijke herhaaldelijke patronen, die hier fractals worden genoemd. Deze fractals worden mathematisch gecodeerd. Het origineel kan wel honderd keer kleiner worden gemaakt en er treedt weinig gegevensverlies op. |
| Fosfor |
|
De stof die monitoren in staat stelt kleuren uit te stralen. Verschillende fosforsoorten hebben verschillende kleureigenschappen.
|
G t/m O
| Gamma |
| Het kleurwaardebereik van een afbeelding dat het contrast en de helderheid definieert. Een hoge gammawaarde maakt de foto lichter, een lage waarde maakt deze donkerder. |
| Geoptimaliseerd palet |
| Paletoptimalisatie beperkt het kleurenpalet tot de in de afbeelding aanwezige kleuren en herschikt ze zodat de transparante kleuren eerst komen. Dit verkleint de bestandsgrootte. |
| Helderheid |
| De waargenomen hoeveelheid licht in de kleur (lichtintensiteit). Bij weinig licht wordt de kleur vaag en bij veel licht wordt deze helder. De helderheidswaarden lopen van 0 tot 255. De waarde 0 geeft totale duisternis (zwart) en 255 geeft volledige helderheid (wit). Een kleur is zuiver als hij een helderheidswaarde van 127 heeft. |
| Histogram |
| Grafiekweergave van het kleurbereik per kleurkanaal waarmee u de afbeelding kunt analyseren op een juist gebruik van de kleurcomponenten. |
| Hoge lichten |
| De helderste partijen in een afbeelding. |
| HSL-methode |
| Een kleurmethode die bestaat uit de combinatie van Hue (kleurtoon), Saturation (verzadiging) en Lightness (helderheid). Overigens wordt HSL elders soms aangeduid als HSB (Hue, Saturation en Brightness). |
| ICC |
| International Color Consortium, opgericht door vooraanstaande bedrijven, om standaardisatie en ontwikkeling van een open, platformonafhankelijk kleurmanagementsysteem mogelijk te maken. Het consortium heeft een zogeheten ICC-profiel opgesteld. Dat zorgt ervoor dat de kleuren op verschillende computerplatforms op eenzelfde wijze worden geïnterpreteerd. Meer informatie vindt u op www.color.org. |
| Interface |
| Verschijningsvorm van een programma. |
| Interlacing, interlaced |
| Interlacing houdt in dat de beelden al tijdens het downloaden op het scherm verschijnen. Er worden al opbouwend steeds meer pixels zichtbaar, totdat het complete beeld staat. De webbezoeker kan zo snel inzien of de foto de moeite van het wachten waard is. Zonder interlacing moet de kijker wachten tot het hele beeld is gedownload voordat er iets zichtbaar is. Interlaced-bestanden zijn vooral praktisch bij presentaties en bij publicaties op internet. GIF en PNG-bestanden kunnen interlaced worden gemaakt. |
| Invoerresolutie |
| Heeft betrekking op de resolutie gemeten van een digitaal beeld zoals die in de computer is geïmporteerd. Een gescand beeld heeft een invoerresolutie gemeten in pixels per inch gelijk aan de scanresolutie in dpi. |
| Joint Bi-level Image Experts Group (JBIG) |
| JBIG is bestemd voor lossless compressie van tweekleurige beeldbestanden (een bit per pixel). Bij gescande afbeeldingen van tekeningen, lijnkunst en geprinte tekst kan JBIG tien tot vijftig procent comprimeren. |
| JPEG/artefact |
| Het verlies aan kwaliteit dat wordt veroorzaakt door comprimeren. |
| Kalibreren |
| Afstellen van de kleurprofielen van verschillende apparaten. Bij monitorkalibratie worden de kleuren van het beeldscherm geijkt aan het opgegeven kleurprofiel. |
| Kleuren |
| In de kleurenleer worden kleuren verdeeld in een aantal soorten: de primaire, secundaire en tertiaire kleuren. Primaire kleuren, (magenta)rood, (cyaan)blauw en geel, zijn basiskleuren waarmee kleurmengingen kunnen worden gemaakt, maar niet zelf door mengingen kunnen ontstaan. Secundaire kleuren, oranje, groen en paars, zijn mengingen van de primaire kleuren en tertiaire kleuren zijn mengingen van secundaire met primaire of secundaire en secundaire kleuren. Deze kleuren vormen samen de kleurencirkel. Dan zijn er nog de complementaire kleuren, oftewel de kleuren die in de kleurencirkel tegenover elkaar liggen en elkaars werking versterken. Rood staat bijvoorbeeld tegenover groen, blauw tegenover oranje en groen tegenover paars. |
| Kleurbalans |
| De verdeling van de verschillende kleurcomponenten in een afbeelding. |
| Kleurbanden |
| Gekleurde strepen op een afbeelding die kunnen ontstaan na het scannen, maar die ook weer verwijderd kunnen worden. |
| Kleurbeheer |
| Het proces van het produceren van accurate, consistente kleuren op verschillende in- en uitvoerapparaten. Een kleurbeheersysteem (CMS: color management systeem) vergelijkt kleuren tussen apparaten, zoals scanners, beeldschermen en printers; een kleurbeheersysteem zet kleuren om van de ene kleurruimte naar de andere (bijvoorbeeld van RGB naar CMYK) en geeft accurate voorbeelden weer op het scherm of op een afdruk. |
| Kleurenbereik |
| Bepaald bereik aan kleuren dat een apparaat kan produceren. Apparaten als scanners, beeldschermen en printers kunnen een uniek kleurbereik produceren, dat wordt bepaald door de kenmerken van het apparaat zelf. |
| Kleurdiepte (bitdiepte) |
| Aantal kleuren dat een afbeelding maximaal kan bevatten. Het aantal bits bepaalt de diepte. |
| Kleurkanalen |
| Geven de pixelinformatie van de kleuren in een afbeelding. Alle afbeeldingen op een computerscherm worden opgebouwd uit de kleuren rood, groen en blauw (RGB). Deze worden ook wel kleurkanalen genoemd. Aan deze kanalen worden waarden gegeven tussen 0 en 255. Dit kunt u lezen als het aantal druppels van die kleur in een pixel, oftewel de kleursterkte. Als de kleur rood een waarde heeft van 0, wil dat zeggen dat deze kleur niet aanwezig is. De waarde 255 geeft de volle kleursterkte aan. Rood is dan volop aanwezig. |
| Kleurprofiel |
| Beschrijft de manier waarop een apparaat (scanner, digitale camera, monitor en printer) met kleuren omgaat. Als deze apparaatprofielen goed op elkaar zijn ingesteld, komen de kleuren op elk apparaat overeen. Een kleurprofiel bevat gegevens over kleur, tint, intensiteit en helderheid. |
| Kleurruimte |
| Een set van waarden die definieert hoe een kleur kan worden voorgesteld op computerapparaten als beeldschermen, scanners en printers. |
| Kleurpalet |
| Aantal beschikbare kleuren behorende bij een bestandsgrootte van een afbeelding. |
| Kleurtoon |
| Definieert de primaire kleuren als rood, geel en blauw. Elke kleurtoon krijgt een waarde toegewezen die is gebaseerd op de positie van de kleurtoon in de kleurencirkel. |
| Kleurzweem |
| Een bepaalde kleurtint overheerst alle andere kleuren van een afbeelding. |
| Laag |
| Een afbeelding is een achtergrondlaag. Op deze achtergrondlaag kunt u een andere foto leggen. Dat is dan een nieuwe laag in die afbeelding. Deze lagen kunt u mengen in verschillende mengmodi. Ook kunt u bepaalde delen van de laagafbeelding transparant maken, zodat de achtergrondlaag daar doorheen schijnt. |
| Lossless |
| Term die aangeeft dat er bij het comprimeren van afbeeldingen geen kwaliteitsverlies optreedt. |
| Magic Wand (toverstaf) |
| Selectiegereedschap waarmee u met een klik dezelfde in de afbeelding voorkomende eigenschappen selecteert, zoals dezelfde helderheidswaarden of dezelfde kleuren. |
| Maskeren |
| Afdekken van een bepaald deel van de foto. |
| Mediaan |
| De middelste waarde die voorkomt in een reeks van waarden. |
| Memorystick |
| Geheugenkaartje, diskette, in digitale camera's van Sony |
| Metafiles |
| Bestandsformaten die zowel vector- als bitmapinformatie bevatten. |
| Middentonen |
| Tonen tussen de hoge lichten en de schaduwen in een afbeelding. |
| Moiré-patroon |
| Patroonafwijking die kan ontstaan bij het scannen van afbeeldingen. |
| Monitorresolutie |
| De monitorresolutie is het aantal pixels per lengte-eenheid op een beeldscherm en wordt gewoonlijk uitgedrukt in pixels per inch (ppi). De resolutie van pc-monitoren is doorgaans 72 ppi. |
| Opvullaag |
| Een opvullaag past u toe om een laag te vullen met een kleur, een patroon of een kleurverloop. Deze opvullaag kunt u ten alle tijde weer verwijderen en/of aanpassen. |
| Optiebalk |
| Balk in een beeldbewerkingspakket waarmee u de instellingen voor de gereedschappen kunt aanpassen. De optiebalk haalt u te voorschijn via Venster > Optiebalk. |
P t/m Z
| Pixel |
| Staat voor picture element en is het kleinste afzonderlijke vierkantje of puntje dat een kleur kan hebben. |
| Pixelafmetingen |
| Aantal pixels horizontaal en aantal pixels verticaal. |
| Pixel packing |
| Pixel packing wordt vaak als compressiemethode omschreven, maar is het niet per definitie. Wel is het een efficiënte manier om gegevens op te slaan op de harde schijf. Pixel packing zorgt ervoor dat de resterende ruimte in elke byte wordt gevuld met nog een pixel. Zo treedt ere geen gegevensverlies op. Nadeel hiervan is dat het veel tijd kost om de pixels uit de bytes te halen en weer te rangschikken tot het oorspronkelijke beeld. |
| Pixels per inch |
| Een resolutiewaarde die het aantal pixels op elke inch (2,54 centimer) van een afbeelding aangeeft op een beeldscherm. |
| Printerresolutie (dpi) |
| Het aantal inktpuntjes per inch dat een laserprinter of scanner kan produceren. |
| Progressieve codering |
| Met progressieve codering bij JPEG wordt ongeveer hetzelfde effect bereikt als bij interlacing: de bezoeker ziet hier stap voor stap de ruwe, vage versie van een foto groeien tot het ware beeld. Zo kan de kijker bepalen of wachten op het volledig beeld de moeite waard is of meteen verder gaan. |
| Raster |
| Een reeks verticale en horizontale lijnen op gelijke afstand van elkaar, met behulp waarvan u afbeeldingen kunt uitlijnen en afbeeldingelementen symmetrisch kunt ordenen. |
| Resolutie |
| Heeft betrekking op de hoeveelheid informatie en detail van een afbeeldingsbestand (afbeeldingsresolutie). Resolutie heeft ook betrekking op het detailniveau van een invoerapparaat, zoals een digitale fotocamera of een scanner. Bij printers wordt de resolutiewaarde dots per inch (dpi) gehanteerd en voor beeldapparaten de schermresolutie gemeten in ppi. De resolutie bij bitmapbestanden beïnvloedt zowel de kwaliteit van de afdruk als de omvang van het bestand. Vectorbestanden zijn resolutieonafhankelijk. Deze worden afgedrukt op de maximale printerresolutie. Hoe hoger de dpi van de printer, hoe beter de kwaliteit van een vectorafbeelding. |
| Renderen |
| Het inlezen en omzetten van de gegevens. |
| RGB |
| Kleurmethode op het beeldscherm (en andere apparaten) waarvan alle kleuren zijn gebaseerd op combinaties van rood, groen en blauw licht. Deze methode hanteert het RGB-model. |
| RGB-kleurruimte |
| Multidimensionale kleurruimte die bestaat uit de intensiteit van het rood, groen en blauw waaruit een gegeven kleur is samengesteld. Dit systeem wordt meestal gebruikt bij scanners, digitale camera's, computerbeeldschermen en printers. |
| SmartMedia-kaartje |
| Geheugenkaartje, diskette, in bepaalde digitale camera's. |
| Roteren |
| Draaien van de afbeelding. |
| Scanner |
| Een apparaat waarmee u echte foto's of ander beeldmateriaal (zoals plaatjes uit boeken, teksten of grafieken) in digitale bestanden kunt omzetten. |
| Schaduwen |
| De donkerste partijen in een afbeelding. |
| Tagging |
| Een kleurprofiel toewijzen aan een afbeelding. |
| Tegenhouden |
| Een fotottechniek waarbij bij het afdrukken een deel van het licht wordt tegengehouden om het doelgebied niet te ver te laten doorontwikkelen, zodat dit gebied lichter blijft. |
| Transparantie |
| Doorzichtigheid. Met transparantie kunt u de achtergrond van de webpagina door de afbeelding, een selectie daarvan of bepaalde kleur laten schijnen (doorzichtig maken). |
| True color |
Geeft aan dat een bestand of een weergavescherm 24 of meer bits kleuren ondersteunt. Dit is dus 16.777.216 kleuren oftewel 2 tot de macht 24.
Het menselijk oog kan ongeveer 2 tot de macht 24 kleuren van elkaar onderscheiden, al is hier nogal discussie over. Het werkelijke aantal kleuren dat met het blote oog waarmneembaar is, is afhankelijk van de persoon, de lichtinval, de gezondheid, de genen en aandacht voor die kleur. Een machine die in staat is deze kleuren (of meer) in de meeste omstandigheden weer te geven, krijgt de eigenschap true color toebedeeld. Dat betekent dus 24 bits per pixel. Overigens zijn in het verleden machines met 2 tot de macht 15 en 2 tot de macht 15 ook true color genoemd. Voor deze laatste twee is daarom recent de term hicolor bedacht. In de marketing wordt aan producten wel de term fullcolor geplakt, maar dat zegt in jargon niets. |
| TWAIN |
| Technology Without Any Interesting Name. Een standaard waardoor apparaten zoals scanners en digitale camera's (zogeheten rasterapparaten) kunnen communiceren met toepassingen als Paint Shop Pro. Dankzij TWAIN kunt u een afbeelding importeren in uw beeldbewerkingspakket zonder het programma te hoeven verlaten. Een groot aantal fabrikanten van scanners ondersteunt deze standaard. |
| Uitsnijden |
| Het selecteren en afsnijden van een deel van een foto om storende elementen aan de randen te laten verdwijnen of om de compositie te versterken. |
| Uitvoerresolutie |
| De resolutie die op het uitvoerapparaat komt. Als u een foto wilt afdrukken, wordt hiermee dus de afdrukresolutie oftewel de printerresolutie bedoelt. |
| USB |
| Universal Serial Bus. Een connector op de computerkast waarop randapparatuur kan worden aangesloten, bijvoorbeeld een camera. De bus maakt het zogeheten Plug and Play-principe toegankelijk. USB detecteert automatisch een aangesloten apparaat en de computer hoeft dan niet eerst opnieuw te worden gestart. USB is ontwikkeld om meer uniformiteit te creëren in de aansluitmogelijkheden van randapparatuur. |
| Vectoren |
| Getekende beeldelementen, zoals lijnen, veelhoeken, rechthoeken en tekst. |
| Vectorbestand |
| Vectorafbeelding die bestaat uit een reeks instructies voor het tekenen van objecten, zoals lijnen, vormen en teksten. |
| Verzadiging |
| Geeft de hoeveelheid grijs aan die zich in een kleurtoon in de afbeelding bevindt. Een laag verzadigingsniveau maakt de kleur grijs. De kleur wordt levendig bij een hoog verzadigingsniveau. De waarden van het verzadingsniveau lopen van 0 tot 255, waarbij 0 staat voor volledig grijs en niet verzadigd, 127 voor middengrijs en 255 voor volledige verzadiging, waarin geen grijs voorkomt. De kleurtoon is zuiver bij een verzadiging van 255. |
| Voorgrondkleur |
| Hoofdkleur van schilder- en tekengereedschappen en staat weergegeven in het vak Effen kleuren en Stijlen van het palet Kleur. |
| Webveilige kleuren |
| Kleuren die op internet in verschillende browsers hetzelfde worden weergegeven. Niet-webveilige kleuren kunnen in de verschillende browsers drastisch verschillen in de weergave van dezelfde kleur. |
| Witpunten (bij kalibratie) |
| De coördinaten (gemeten in CIE XYZ-kleurruimte) die rood, groen en blauw fosfor bij volledige intensiteit wit maken. |
| Witpunt |
| Wordt in het venster Niveaus toegepast om een wit punt te bepalen op basis waarvan de helderheid wordt gemeten. |
| Zoomen |
| Vergroten of verkleinen van de weergave van de afbeelding op het scherm. De daadwerkelijke bestandsgrootte verandert niet. |
|